Het van Brants-Rushofje is gelegen aan de Nieuwe Keizersgracht 28-44.
De koopman Christoffel Brants (1664-1732) had fortuin gemaakt door handel op Rusland en was daar in 1712 door Peter de Grote geridderd en in 1717 verheven in de adelstand (waarna hij zich “Van Brants” mocht noemen).

Christoffel Brants was ongehuwd gebleven. Op 20
mei 1732 legde hij de eerste steen van het Van Brants-Rus hofje (deze steen met
inscriptie is gevonden in het souterrain en bevindt zich tegenwoordig in de
regentenkamer), samen met het Corvershof het aanzienlijkste hofje van Amsterdam.
Hij heeft de voltooiing niet meegemaakt, want hij overleed al op 5 november
1732. Het hofje was bestemd voor “behoeftige arme vrouwen, niet onder de
vijftig jaren oud, van de Luthersche gezindte”, m.a.w. het was een Evangelisch
Luthers hofje. Ook werd door Brants bepaald dat het moest gaan om “bejaarde
dochters of weduwen zonder kinderen (...) van fatsoenlijke opvoeding en van een
goed gerucht, gedrag en handel, zonder de allerminste opspraak”. Er waren
tuchtartikelen, zoals een verbod op “krakeelen, schelden, drijgen, slaan,
vuyle woorden, lichtvaardig sweeren, vloeken, laster etc.” Het hofje zou 21
vertrekken bevatten voor twee vrouwen elk en nog 6 vertrekken voor één vrouw,
dus in totaal voor 48 vrouwen. Het hofje was gereed in 1733.
Links van het complex was een onbebouwd terrein met een herberg dat in 1735 werd
opgekocht. Op dit terrein werden drie woonhuizen gebouwd (Nwe. Keizersgracht
46-50) met een vrij ondiepe tuin, waardoor het Van Brants-Rus hofje haar tuin
achter die van de drie woonhuizen kon uitbreiden. Bovendien werd in 1898 het
pand Nwe. Keizersgracht 26 verworven, zodat het hofje haar tuin ook achter dit
perceel kon uitbreiden.
Het hofje wordt toegeschreven aan de bekende
bouwmeester Daniël Marot.. De fraaie voorgevel in Lodewijk XIV-stijl met
dubbele stoep, die als een patricisch grachtenhuis oogt, vertoont een
zinnebeeldig reliëf dat de weldadigheid symboliseert. Daaronder bevindt zich
het adellijke wapen van Brants. Boven de deur staat de naam van het hofje met
het gedicht:
Brants, door de koopmanschap tot Rijkdom en tot Eer
Geklommen, heeft my in de Naa-nacht van sijn Leven
Den Ouden tot hun Troost ter Wooningen gegeven.
Aanschouwer! is uw doen gezeegent van den Heer
Volg Brants in Deugden, in zyn Liefde tot den Armen:
Godt gaf hem, dat hy mild zig hunner kon Erbarmen. Ao 1733
De
binnenplaats.
De pomp
De
achtergevel.
De binnentuin.